Columns 2010

OVERSCHOENEN

Op de Bike-Motionbeurs in Utrecht waren ook dit jaar weer allerlei accessoires voor de fiets en de fietser te vinden. Het een meer bruikbaar dan het ander. Wat te denken van een zadelpen die tijdens het rijden in hoogte verstelbaar is van 219 euro of een beugel om op een lichtgewicht carbonstuur te schroeven om daarop weer je fietscomputer te monteren.
Voor mij persoonlijk is één accessoire al jaren absoluut favoriet: de overschoen. Ik ben namelijk een echte koukleum. Ik heb altijd last van koude handen en voeten. Onder ons gezegd en gezwegen, zelfs ‘s nachts draag ik soms wollen sokken, nog gebreid door mijn moeder zaliger.
Joop heeft dat niet, hij heeft nooit last van koude uiteinden. Hij is van huis uit een schaatser. Als jongeling won hij verschillende schaatswedstrijdjes en Joop begon eigenlijk met fietsen om in de zomer zijn schaatsconditie op peil te houden.
Voor mijn handen zijn handschoenen voldoende, maar om mijn voetschoenen moeten nog overschoenen zitten. Ze moeten voldoen aan de www-norm: warm, winddicht en waterdicht. Aërodynamisch hoeven de overschoenen voor mij niet te zijn, al zou het volgens deskundigen 15 seconden winst opleveren bij een tijdrit van 40 km. Bij 12 km komt dat overeen met 4,5 seconden.  Nu ik dit opschrijf,  begin ik toch te twijfelen met drie tijdritten van 12 km in het vooruitzicht.
Dankzij mijn overschoenen komt mijn fiets in de winter toch regelmatig uit de garage. Deze winter was het echter bar en boos. Welgeteld zeven ritjes heb ik gemaakt. Altijd regen, sneeuw, Siberische koude of gladde wegen. Een keer was ik al 10 kilometer van huis toen ik merkte dat ik mijn overschoenen vergeten was. Ik ben onmiddellijk teruggereden.
Ieder jaar koop ik een paar nieuwe, liefst in het voorjaar want dan zijn ze flink afgeprijsd. De nieuwe gebruik ik op de racefiets, de oude draag ik af op de mountainbike. Nee, zonder overschoenen zou er voor mij geen (fiets)leven zijn in de winter.
Gelukkig beginnen de dagen weer te lengen.

P. Zoetemelk januari 2010

________________________________________________________________

Knieproblemen

Iedere toerfietser heeft wel een favoriete profwielrenner waaraan hij zich kan spiegelen.
Zo zouden we allemaal wel op Eddy Merckx willen lijken. Hennie Kuiper was vroeger altijd een renner naar mijn hart. Tot voor kort had ik wel iets met Jan Ulrich. Net als Jan kwam ik ook altijd met zes kilo te veel lichaamsgewicht uit de winter.Tegenwoordig heb ik meer van Bernard Hinault. Niet wat betreft zijn fietscapaciteiten, daar kan ik niet aan tippen, maar wel vanwege zijn knieproblemen. Die heb ik nu ook.
In april had ik een schitterende hoogtestage in Auvergne met mijn fietsmaten Ad en Erik. Zeven dagen fietsen in de bergen tot 1450 m hoog, vijf keer met Ad en Erik en twee keer rustig aan met vrouwlief. Naar mijn idee heb ik geen overdreven inspanning gedaan. Ik hoefde niet te proberen om Ad bij te houden in de klim want dat lukte toch niet. Ad klom geweldig en Erik deed het rustig aan. Terug in Nederland nog pijnloos een rit van 85 km gereden.  Daarna was het mis. Bij de minste verdraaiing van de knie voelde ik een felle pijnscheut. Naar de oorzaak is het gissen. Kwam het doordat ik een keer nogal bruusk door de knieën ben gegaan? De pittige bergwandeling? Of hebben mijn twee kameraden gelijk als ze zeggen dat ik bij de laatste bergrit niet zo mijn best had moeten doen om in de beklimmingen onze meefietsende gastvrouw, die mijn dochter had kunnen zijn, bij te benen?
Mijn broer, dierenarts in ruste, zegt dat het waarschijnlijk een tenniselleboog is, maar dan aan de knie. Mijn huisarts denkt aan een beschadigde meniscus en raadt me aan voorlopig rustig aan te doen alvorens aan opereren te denken.
Aan de eerste clubtijdrit van dit jaar kon ik helaas niet meer meedoen. Ik had me graag gemengd in de strijd om de ereplaatsen. Erik en Ad werden eerste en tweede. Toch een bewijs dat je kracht opdoet van een week fietsen in de bergen!
Zielig? Nou niet echt. Nu ik niet kan fietsen, merk ik dat er tijd overblijft voor andere zaken. Een papadag heb ik niet meer nodig maar ik kan net als Wouter wat meer aandacht aan mijn gezin besteden. Rustig fietsen met mijn vrouw gaat gelukkig nog pijnloos. Toen ik mijn buurvrouw vertelde dat het best lastig is dat je niet meer kunt lopen en fietsen zoals je dat gewend bent, begon ze uitbundig te lachen. Begrijpelijk, want zij is al meer dan 30 jaar gekluisterd aan de rolstoel. Alles is relatief.
Geletruidrager Hinault moest in de Tour van 1980 na de 13e etappe opgeven vanwege zijn opspelende knie. Joop nam toen de leiderstrui van hem over en won dat jaar. Hem wordt nog steeds nagedragen dat hij zijn overwinning te danken had aan de knie van Hinault. Dat is natuurlijk niet terecht. Gezond blijven tijdens een etappekoers is ook een aspect van de wielersport. In 1983 is Bernard Hinault eraan geopereerd. Daarna heeft hij nog twee keer de Tour gewonnen. Daar houd ik me aan vast.
Tijdens de vakantie in Frankrijk mijden we dit jaar de bergstreken en doen het rustig aan.
Misschien haal ik de najaarsklassiekers nog.

P. Zoetemelk april 2010

_________________________________________________________________

Anquetil

Mijn knieproblemen verdwenen net zo snel als ze opkwamen. Ik maakte al weer plannen om in de junivakantie weer naar het hooggebergte te trekken, maar de verstandigste van ons twee besliste dat we de bergen moesten mijden om de knie nog even te ontzien.
Geen Alpencols deze keer, maar fietsen langs de Seine, ten westen van Parijs, is ook leuk.
Tijdens een fietstocht kwamen we min of meer toevallig in het stadje Romilly-sur-Andelle terecht. Een meer dan levensgrote fiets, geschilderd in felle kleuren, op het kruispunt van de hoofdweg en het begin van een beklimming trok onze aandacht. Dit kunstwerk was nauwelijks te vergelijken met de grote gestileerde witte fiets van Piet Hohman die hier in Oosterhout vlak bij McDonald staat. Op een bordje was te lezen dat de plaatselijke gemeentewerkers de fiets geconstrueerd hadden van materiaal afkomstig uit de milieustraat. Verwarmingspijp voor het frame, dikke kunststof waterslangen voor de banden, betonijzer voor de spaken enz. Een mooi stukje volkskunst zoals je ook wel op de televisie ziet als de Tour de France kleine dorpjes passeert. De fiets was daar in 1997 geplaatst als herinnering aan Jacques Anquetil, de renner uit de streek. Anquetil was een echte tijdritspecialist. Hij heeft vijf keer de Tour en vele klassiekers gewonnen. In 1960 won hij als eerste Fransman de Giro. In 1987 is hij op 53-jarige leeftijd gestorven.
Hij was ook een man van Wein, Weib en Gesang. Of Jacques goed kon zingen weet ik niet maar van al het andere heeft hij meer dan normaal genoten. Toen we de weg omhoog namen bleek dat we op de Côte de Jacques Anquetil zaten. Na iedere 500 m gaf een bord met een vergeelde foto van Jacques in een eenvoudig plastic mapje aan, hoeveel meter je al geklommen had. Na drie kilometer kwamen we boven uit bij een gedenksteen van de renner. Een soort grafzerk met de contouren van Frankrijk en een gravure van Jacques in volle actie. Voor die zwarte steen in het gras een twee meter grote gele trui van beton. We ontdekten dat het monument vlak bij het Château Jacques Anquetil aan de Avenue Jacques Anquetil stond. In dit kasteel, vroeger nog bewoond door de beroemde Franse schrijver Guy de Maupassant, bracht hij zijn laatste jaren door. Jacques is begraven in Quincampoix, 15 kilometer noordoost van Rouen. We zijn er niet geweest, maar het moet voor fietsers echt een soort bedevaartplaats zijn. Wat een eerbetoon aan een renner die veel te vroeg gestorven is.
Nederlanders zijn een stuk nuchterder dan de Fransen.  Een sporter moet wel echt dood zijn voordat hij geëerd wordt met een straat of standbeeld. Zo kreeg Wim van Est in 2007, drie jaar na zijn overlijden, een standbeeld in St Willebrord. Voor burgemeesters ligt dat anders. Ik ken een gemeente waar iedere burgemeester die vertrekt een straat naar hem of haar vernoemd krijgt, ongeacht de lengte van de ambtsperiode of de verdiensten voor de gemeente. De enige uitzondering bij mijn weten is onze Joop. Joop heeft al bij leven een standbeeldje gekregen in zijn geboorteplaats Rijpwetering. “Leuk dat de mensen op die manier aandacht aan je willen schenken, maar voor mij hoeft het eigenlijk niet” zegt hij.

P. Zoetemelk juli 2010

_________________________________________________________________

Volle fietspaden

De fietspaden slibben langzaam dicht. Dat schijnt in de Randstad een probleem te zijn.
Wat dat betreft mogen we ons hier in het zuiden gelukkig prijzen. Het valt hier nog wel mee met de drukte op de fietspaden, maar het verschil in snelheid tussen de diverse categorieën fietsers zorgt ook hier voor problemen. Toerfietsers, al of niet in groepsverband, rijden nu eenmaal met een hogere snelheid dan scholieren, fietsende echtparen of bejaarden en andere fietspadgebruikers. Bromfietsers mogen de laatste tien jaar op de rijbaan. Toerfietsers mogen dat niet, die moeten de tragere soortgenoten voorbij.
Zonder hier de schoolmeester uit te willen hangen wil ik mijn persoonlijke ervaringen met het passeren van langzamere tegen- en meeliggers weergeven. Het gevaarlijkst vind ik scholieren die je op het fietspad tegemoetkomen. Een of twee is geen probleem, maar pas op bij groepen. Al is er een streep getrokken, die pubertjes vinden het leuk om met drieën of meer naast elkaar stoeiend, sms-end, gsm-end, twitterend en druk kletsend zo lang mogelijk op jouw helft te blijven rijden. Dat is stoer en daar maak je indruk mee. Ik let dan alleen op mijn eigen veiligheid. Ik kijk naar mogelijkheden om zo nodig uit te wijken en ik houd vooral mijn mond al kost dat moeite, want het is juist de bedoeling van die ettertjes, dat jij kwaad wordt. Die lol gun ik ze niet.
Een ander probleem is het inhalen van twee fietsers, meestal man en vrouw, Koga- of Gazellefietsen, vroeger met hetzelfde trainingspak, tegenwoordig hetzelfde fleecejack, die naast elkaar rijden op een smal fietspad. Je doet het eigenlijk nooit goed. Ik ga zeker niet roepen. Te lang wachten met bellen is niet aan te raden, want dan schrikken ze zich wezenloos. Ik begin dus op tijd met bellen, vooral als de linker fietser een vrouwspersoon is. Vrouwen hebben namelijk de gewoonte om eerst om te kijken, voordat zij aan de kant gaan en dat kan dus enige tijd duren. Om wat goodwill te kweken voor de wielrenner, over wie toch al zoveel geklaagd wordt, groet ik meestal de gepasseerden door een vinger op te steken of “bedankt” te zeggen. Ik ken iemand die in zo’n geval zegt: “Vriendelijk bedankt mijnheer en mevrouw en nog een prettige namiddag samen”. Dat lijkt mij wat overdreven. Soms krijg je onverwachte reacties. Laatst passeerde ik als eerste van de groep zo’n fietsend stel en ik zei: “Let op, er komen er nog twaalf” Tot mijn stomme verbazing riep de man: “Wat kan mij dat schelen”. Wanneer doe je het wel goed?
Nu rijd ik zelf ook wel eens, weliswaar zonder fleecejack, naast vrouwlief op een fietspad voor een gezellig tochtje met een niet al te hoge snelheid. Ik bekijk de zaak dus ook wel eens van de andere kant, van de kant van de trage fietser. Misschien heb ik te veel begrip voor de snelle fietser want ik kijk regelmatig achterom, om te zien of er soms zo’n snelheidsduivel aankomt die ik dan uiteraard ruimschoots de kans geef om ons vlot te passeren. Had je van mij anders verwacht? Deed iedereen dat maar!
Als ik broer Joop vraag of hij wel eens een eindje fietst met zijn vriendin Dany (zijn vrouw Françoise is enkele jaren geleden gestorven) zegt hij: “Nee, fietsen is voor mij altijd werken geweest. Een buschauffeur neemt zijn vrouw of vriendin toch ook niet mee naar zijn werk”. Joop koos vroeger zijn trainingsparcours in het Groene Hart van Zuid-Holland altijd zo uit dat er vrijwel geen fietspaden in zaten. Het voorbijrijden van fietsers was voor hem dus nooit een probleem. Dat is het in Frankrijk ook nooit want daar zijn praktisch geen fietspaden.
Het is ook niet handig om met een grote groep toerfietsers over de drukke, smalle fietspaden van bijvoorbeeld de Drunense Duinen te rijden op een mooie zomerse zondagochtend.
Dat is vragen om (passeer)problemen. Voorkomen is beter.

P. Zoetemelk oktober 20

___________________________________________________________________

Vorstverlet

December 2010. We hebben net de 64e verjaardag van onze Joop gevierd en het is bijna kerstmis. Eindelijk een witte kerst. Leuk voor de mensen die dat leuk vinden, maar voor sommigen ligt dat toch anders. Ik was gewend om minimaal vier keer per week, een ritje te maken, tenminste als het weer het toeliet; drie keer met fietsmaten, een keer met mijn vrouw en als het kon ook nog een keer alleen.
Het is nu al vier weken geleden dat ik een fiets heb aangeraakt. Eerst kregen we 14 dagen sneeuw en ijzige wind. Wat betekent dat voor een fanatieke fietser als ik? Iedere toerfietser beleeft dit waarschijnlijk ook zo. Je kijkt op buienradar of er op korte termijn nog een tochtje gemaakt kan worden. Na een paar weken, als er bijna iedere dag een laagje sneeuw bijkomt, accepteer je het maar gelaten. Fietsen gaat tòch niet. Je conditie holt achteruit. Na drie weken denk je al niet meer aan fietsen, het interesseert je niet meer, het raakt uit je systeem. Je vindt het al gauw onverantwoord om over gladde wegen naar de sportschool te gaan. De hometrainer thuis raakt onder het stof. Zelfs de boodschappenfiets blijft in de garage. Boodschappen doe je nu ook te voet of met de auto. Onderweg raap je een vrouw op die het toch probeerde met de fiets.
Je maakt je zorgen en de twijfel slaat toe. Hoe kom je weer op je oude niveau? Of is het juist wel goed voor je oude lijf om een tijdje rustig aan te doen? Kun je straks je fietsmaten nog wel bijbenen? Gelukkig zitten die in hetzelfde vastgevroren schuitje.
Je houdt tijd over. Je blijft wat langer liggen, je spelt de krant en je leest zelfs weer eens een boek. De gemeente strooit niet meer, het zout is op. Straks geen zout meer voor de pap. Langzaam maar zeker raak je in een dip. En is het na een week of vier eindelijk zo ver dat je weer eens de weg op kunt, dan zijn er sociale verplichtingen.
Maar . . . . . .  .  er is weer hoop. De dagen worden weer wat langer. Erwin Krol voorspelt dat de dooi aanvalt (of is het invalt?) Ik krijg weer zin om het nieuwe doorfietsjack van mijn toerclub uit te proberen. Misschien donderdag met de zestigplussers?

P. Zoetemelk december 2010