Lago di Trasimeno

Het is augustus 2007. Een schitterende zomer in Toscane. Terwijl mijn vrouw zich boog over een nieuwe opdracht, zij volgde daar een schrijverscursus voor gevorderden, keek ik met een schuin oog naar het weer. Ik had mij voorgenomen om met de racefiets vanuit ons logeeradres, een heus middeleeuws kasteel in Chiusi, een rondje Lago di Trasimeno te maken.

Volgens mijn berekening moest het ongeveer 90 km zijn, over soms heuvelachtig terrein, met een slotklim van 2 km met een gemiddeld percentage van ruim 8%. Een echte kuitenbijter dus, zeker voor een niet-klimmer als ik.

Rond de klok van 10 uur ging ik op pad. Over een grindweg van 800 meter naar de provinciale weg. Onderweg werd ik aangevallen door honderden vliegen. Niet dat ze gek op mij waren, maar gewoon, ze leven daar, wilden mij begroeten en doen verder niets. Even voelde ik mij op de Mont Ventoux, waar de broers en zusjes van de vliegen zich genesteld hebben.

Op weg naar het meer haalde ik een groepje Italiaanse toerfietsers in. Alle ogen werden gericht op mijn fiets, was het Shimano of Campagnolo wat gemonteerd was, toen een blik op het logo, geen herkenning. Daarna werd mijn de Jonge Renner outfit bekeken, gemompel over waar ik vandaan kwam, Belgica werd er gegokt. In mijn steenkool Italiaans kon ik duidelijk maken dat ik uit Olanda kwam, op vakantie was en een tochtje Lago ging doen. Een vette glimlach rond de monden van mijn Italiaanse collega’s, zei waren al om 08.00 uur vertrokken en hadden er net 40 km opzitten.

Onderweg bleek het tempo mij toch te langzaam en zette op een klim aan. Verhip, ik liet de hele groep achter mij, tot mijn eigen stomme verbazing. Solo reed ik verder en kwam aan in Magione, waar ik merkte dat ik toch wel erg voorover hing op mijn fiets. Bij een bar maakte ik een koffiestop. Daar bleek al snel dat mijn zadel een ongewone houding had aangenomen. Hulp van een andere groep fietsers hielp niet, het juiste gereedschap was niet voorhanden. In woord en gebaar werd mij aangeraden om vlak voor Passignano bij een camping te stoppen, daar werkte een fietsenmaker werd mij verteld.

De camping heb ik nooit gevonden, laat staan de fietsenmaker. Wanhopig verder fietsend op een loszittend zadel, kwam ik op bekend terrein. In Tuoro zag ik een Peugeot garage, daar met de fiets naar binnen gestapt en om gereedschap gevraagd. Wantrouwend werd ik bekeken, maar waarschijnlijk uit medelijden werd mij een heuse gereedschapskar beschikbaar gesteld. Na enig sleutelwerk, en dat voor iemand met twee linkerhanden, zat het zadel weer vast en kon ik mijn tocht vervolgen.

Na de lastige klim in Castiglione won de honger het van de courage en werd op een terras een heerlijke Frutti del Mare naar binnen gewerkt. De bidon werd gevuld met een flesje koud water en op weg naar het kasteel. Geruststellend is het te weten dat in die omgeving het verkeer je respecteert en ruim om je heen rijdt. Aangekomen bij de slotklim even een stop gemaakt. Enkele slokken water en na teksten als “niet zeuren, gewoon doen” of “het is maar 2 km” aan de klim begonnen. Warempel, het lukt, ik ging als een speer, haalde een brommer in, en kwam boven in een heroïsche bui. Ik, de niet klimmer, had het geflikt. Zonder af te stappen naar boven gefietst. Voldaan reed ik de laatste kilometers naar het kasteel.

Terug op het grindpad, redelijk uitgewoond, door de afstand en de temperatuur, kwam ik mijn schoonzus tegen, ook daar op vakantie. Nu al terug? We hadden je pas rond vier uur verwacht. Gelukzalig keek ik op mijn horloge, twee uur pas, inclusief reparatie en lunch was ik best tevreden. ‘s Avonds bij het eten kreeg ik van de medecursisten naast de complimenten ook veel borrels aangeboden.  Die nacht heb ik heerlijk geslapen.